Hoe wordt een man die in het toen nog Friese dorp Harlingen
ter wereld kwam burgemeester van Rotterdam en daarna (nota bene) van Amsterdam.
Wij weten het niet en de "in memoria" vertellen ons dit al evenmin. Het zal
waarschijnlijk zijn ordenende en bestuurlijke geest zijn geweest, die hem op
dit spoor heeft gezet. Al zeer vroeg voltooide hij zijn studie in de rechten
om daarna diverse bestuurlijke functies te gaan bekleden. 
Zijn vader, Hendrik Meinesz was in controleur van s'Rijks Belastingen te Bergum, bij Harlingen.
Op 8 juli 1831 is Hendrik Meinesz gehuwd met Sjoerdje Vening. Op 20 februari 1833 wordt
Sjoerd Anne geboren te Harlingen maar zijn moeder overlijdt 4 dagen na zijn geboorte.
Hij was het enige kind uit dit huwelijk.
Zijn vader is verhuisd naar Rotterdam en was daar ook werkzaam voor s'Rijks Belastingen.
Sjoerd Anne heeft enkele van zijn jongensjaren, om precies te zijn tot zijn achtste,
in de Maasstad doorgebracht. Hij bewaarde, volgens overlevering, uit die tijd nog menige herinnering.
Na een aantal jaren alleen te zijn geweest is zijn vader weer opnieuw in het huwelijk
getreden. Dat was op 17 april 1839, maar nu te 's-Gravenhage met Alida van den Bergh,
die afkomstig is uit het zelfde geboortedorp als Hendrik Meinesz, het geboortedorp is
Balk bij Harlingen. In 1840 verhuisd het gezin alweer naar Amsterdam waar Hendrik Meinesz
wederom is gaan werken als ontvanger der Directe Belastingen. Uit dit tweede huwelijk
zijn 2 kinderen geboren, nl. Jelle (27 okt 1841) en Johanna Wilhelmina (14 juli 1850).
De dochter Johanna is al op 7 jarige leeftijd overleden.
Het gezin was niet onbemiddeld. In 1846 was Henderik Meinesz eigenaar van de Zandstuve
bij Vroomshoop met een oppervlakte van 135 ha. Hij gold vanaf 1846 als een van de rijkste
mensen van Noord-Holland. En in 1847 werd hij mede-eigenaar het landgoed Eerlerberg
bij Hellendoorn.
In 1851 richtte zijn vader de Drentsche Landontginnings Maatschappij op, die wel de fa.
Hendrik Meinesz en Compagnie werd genoemd, samen met andere Amsterdamse projectontwikkelaars
en handelshuizen. Die kochten op 28 juni 1851 in Z.O.Drenthe ca 2300 ha veengrond aan,
o.a. het Amsterdamsche Veld, voor f 120.000,-..
Ook kocht de maatschappij in Coevorden de verlaten garnizoensgebouwen en het arsenaal
op, om deze gebouwen als pakhuizen te laten fungeren. In het kazernegebouw aan de
Bentheimerpoort werd een gasfabriek gesticht. De zetel van de gasfabriek was gevestigd
ten huize van Hendrik Meinesz te Amsterdam. Hij was beherend vennoot en Dommers plaatselijk
directeur te Coevorden.
Na Sjoerd's lagere schoolperiode heeft hij eerst het Atheneum Illustre, de voorganger
van de Universiteit van Amsterdam, doorlopen en is hij daarna rechten gaan studeren
in Amsterdam. Maar omdat Atheneum Illustre geen universiteit was, is hij in Leiden,
op 23 jarige leeftijd, gepromoveerd op het proefschrift met de titel: "Geschiedenis
der staatsregtelijke bepalingen betrekkelijk de vervaardiging van wetten en algemeene
beginselen die hierbij behooren te gelden". Dit proefschrift is aanwezig in de Koninklijke
Bibliotheek te Den Haag.
Het was overigens in die tijd een populair onderwerp waarover
meerdere proefschriften zijn gemaakt. Hij schreef hierin o.a. ,,Het grondbeginsel van
alle macht, is bescherming der individueele vrijheid in de samenleving." En : ,,Het
wezen der wet vordert algemeene handhaving van de zijde van den Staat en onvoorwaardelijke
gehoorzaamheid der ingezetenen." Beide opvattingen tekenden Vening Meinesz als een liberaal
van de oude stempel. Hij is deze beginselen, vastgelegd bij zijn intree in het maatschappelijk
leven, trouw gebleven. En, kun je wel zeggen, over gevallen.
Op aandringen van zijn vader begon hij als journalist omdat dat een goede leerschool
was voor een politieke carrière. Zijn collega's kenden hem als een zwijgzaam man, die
geen vrienden zocht, weinig toegankelijk en onbuigzaam van aard. Maar hij schreef goed
doorwrochte artikelen over vraagstukken en viel hierdoor op. Hij werd al na 4 jaar, als
27 jarige, hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad. Het Algemeen Handelsblad zetelde
toentertijd in Amsterdam en is pas later, in 1970, met de Nieuwe Rotterdamse Courant
samengevoegd in zijn huidige vorm.
Deze ervaring als journalist zal zeker meegeholpen tot zijn
vaardigheid voor het goed formuleren van zijn denkbeelden.
In het memoriam, voor zijn
overlijden in 1909, schreef Mr. J.J. Tavenraat hierover: "Als meerdere zijner tijdgenoten
beschouwde hij het als een hoffelijkheid, den hoorder niet met vijf woorden te vermoeien
, indien vier voldoende waren". Maar uit andere commentaren blijkt, dat hij wel erg kortaf
kon zijn. Vooral in zijn Amsterdamse periode.
Na de journalistiek volgde het lidmaatschap van de Amsterdamse gemeenteraad. Eerst als
raadslid, en al spoedig als wethouder financiën. Op 18 april 1872 trad Sjoerd Meinesz
in het huwelijk met de bijna 20 jaar jongere jonkvrouwe Cornelia den Text. Zij was de
dochter van de toenmalige burgemeester van Amsterdam, jonkheer Mr. C.J.A. den Tex. Mr.
Charels Den Text is burgemeester van Amsterdam geweest vanaf 15 juli 1868 tot
1 januari 1880.
Vanwege dit huwelijk moest hij aftreden als wethouder en werd weer raadslid.
In de ambteloze jaren daarna heeft hij artikelen geschreven, zoals het in De Gids van 1875
verschenen studie over de belastingen. In September van dat jaar treed hij op als lid van
de 2e kamer voor Amsterdam. In de 2e kamer is hij vooral actief geweest om zijn oude
opleidingsinstituut Atheneum Illustere te verheffen tot Universiteit. Dit stuitte op
veel weerstand, mede door een stuk anti-Amsterdamse gezindheid in de 2e kamer.
Illustere
Atheneum werd in 1877 officieel een gemeentelijke universiteit, de huidige VU (Vrije Universiteit). De Amsterdam
gemeentelijke universiteit bestond in het begin bij de gratie van twee (weggekochte)
Leidse geleerden. Barlaeus was net in Leiden ontslagen omdat hij te liberaal (remonstrants)
was; de historicus Vossius kreeg in Amsterdam meer betaald dan in Leiden.