Mr. S.A. Meinesz wordt tot burgemeester van Rotterdam benoemd door de regering in 1881
als opvolger van Joost van Vollenhoven, die op 17 februari 1881 was vertrokken.
Dat is kort na de crisis in 1879 die in Rotterdam veroorzaakt werd door het faillissement
van het havenbedrijf de Rotterdamsche Handelsvereniging. Hij is aangebleven tot 14
oktober 1891 als hij door de regering gevraagd wordt burgemeester om van Amsterdam te worden.
Deze benoeming heeft hij plichtsgetrouw aanvaard.
In 1873 gaat de R.H.V. (Rotterdamsche Handelsvereniging
(Rotterdamsche Handelsvereniging), opgericht door
L. Pincoffs
en M. Mees
van het kassiershuis R. Mees & Zoonen, de havens op Feijenoord aanleggen
omdat de gemeente hiervoor geen geld heeft. Zij leggen o.a. de doorsteek in de Koningshaven
aan, waardoor het Noordereiland ontstaat, de binnenhaven en de spoorweghaven aan.
De Handelsvereniging heeft ook moderne hydraulische kranen. Maar het economische
tij zit tegen waardoor het langer duurt dan verwacht, voor het geheel rendabel wordt.
Mede door financiële machinaties van Pincoffs om elk jaar toch goede cijfers te laten zien,
gaat de Handelsvereniging failliet hij vlucht zelf naar Amerika.
Het Rotterdamse
gemeentebestuur stond toen voor de vraag of men het handelsbedrijf met zijn gebouwen
en bedrijfsterreinen zou overnemen. En dan het handelsbedrijf zal voortzetten met
alle financiële risico's, of uiteen te laten vallen met alle (reputatie)schade die dat veroorzaakte.
Dat laatste zou een flinke terugval in de havenactiviteiten kunnen veroorzaken.
Uiteindelijk heeft de gemeente het overgenomen en voortgezet als een gemeentelijke
instelling. Eerst viel het onder Gemeentewerken. Later is het afgesplitst van
Gemeentewerken als het Havenbedrijf, dat inmiddels weer verzelfstandigd is.
Vlak voor zijn benoeming als burgemeester van Rotterdam, werd in 1880 de Génie-officier
Gerrit Johannes de Jongh
aangesteld als directeur van gemeentewerken te Rotterdam.
Hij was een man met een krachtige persoonlijkheid en een duidelijke eigen visie
maar dat niet altijd even goed kon overbrengen. Hij kreeg later de bijnaam "Brutale Gerrit".
Dat combineerde goed met burgemeester Meinesz die goede ideeën over nam en deze
ten opzichte van de raad goed kon verdedigen en uitvoeren.

Burgemeester Meinsez was een echte liberaal en was van mening dat de overheid
terughoudend moet zijn in zijn activiteiten en het ondernemen aan de markt moet
overlaten. Zo was hij ook tegen het opzetten van een gemeentelijk gasbedrijf.
Maar toen de raad eenmaal in 1883 (van Weel) had besloten dat er een gemeentelijk
gasbedrijf opgezet zou worden, heeft hij dit besluit loyaal uitgevoerd. De twee
gasbedrijven zijn opgekocht en door Gemeentewerken sterk uitgebreid.
Burgemeester Meinesz droeg zijn ambt met waardigheid en discipline. Als man van
rechtvaardigheid en karakter, voelde hij zich verplicht het gezag dat zijn ambt
met zich meebracht hoog te houden. Let wel, overal en ten allen tijde. Zo rookte
hij nimmer in het openbaar terwijl hij in zijn privé-leven toch menigmaal een sigaar
opstak. Door de indruk te wekken ongenaakbaar te zijn, heeft die houding er wellicht
toe bijgedragen dat Meinesz als burgemeester nooit populair is geworden, maar
aarentegen wel als geëerbiedigd burgemeester werd geëerd. Dat laatste mag de reden
zijn geweest, dat Rotterdam, een stad die de herinnering aan zijn burgemeesters nooit
in straatnamen heeft vastgelegd, er al een jaar na zijn dood toe overging een belangrijke
stadsas, een plein en een straat naar Sjoerd Meinesz te vernoemen.
En dat ging met volle instemming, sans rancune dat Meinesz in 1891 zijn stadshoofdschap
van Rotterdam inwisselde voor dat van Amsterdam. Hij heeft het tenslotte eerlijk verdeeld:
tien jaar burgemeester van Rotterdam en tien jaar burgemeester van Amsterdam.
Een carriereverloop dat tegenwoordig ondenkbaar is.
Op 29 december 1884 werd hij ook weer opnieuw lid van de eerste kamer voor de provincie
Zuid-Holland. Hij was toen nog burgemeester van Rotterdam. Er werd toen gekozen volgens
het districtenstelsel. Deze bestuurlijke taak, als lid van de eerste kamer, zou hij tot
aan zijn dood in 1909 volhouden. Overigens vanaf september 1904 als eerste kamerlid voor
de provincie Noord-Holland. Hij was dan immers woonachtig in Amsterdam.
Tijdens zijn burgermeesterschap werd de gemeente Delfshaven uiteindelijk dan toch
geannexeerd door de gemeente Rotterdam. Dat gebeurde op 1 januari 1886, maar de eerste
samenvoegingspannen waren er al in 1841. Het is zeker een van de belangrijkste
gebeurtenissen tijdens zijn ambtsperiode. Het was pas daarna mogelijk om de uitbreiding
van Rotterdam aan de noordzijde ter hand te nemen.
Bij zijn afscheid als burgemeester van Rotterdam kreeg hij een zelfportret aangeboden,
geschilderd door P. De Josselin de Jong van zijn vrienden uit Rotterdam. Hij is
opgevolgd door burgemeester Pieter Lycklama a Nyeholt, ook weer uit Friesland.
Burgemeester Lycklama a Nyeholt is maar 3 jaar burgemeester gebleven.